|
FOKREGLEMENT
Fokreglement ingaande 1-6-2004
1-04-2007, Fokreglement voor de Duitse Staande Korthaar
1e wijziging ingaande 01-06-2006 (betr. art. 3.1)
2e wijziging ingaande 31-03-2007 (betr. art. 1.2 en 1.3)
3e wijziging ingaande 01-12-2008 (betr. art. 3.2 en 4.1)
4e wijziging ingaande 08-05-2009 ( betr. art. 3.2, 4 en 5.2)
5e wijziging ingaande 28-05-2010 ( betr. art. 1.1 en 4.1)
1. Fokkerij
1.1 De teef mag ten tijde van de dekking niet jonger zijn dan 24 maanden. De teef mag niet meer worden gedekt na de dag waarop zij 96 maanden (8 jaar) wordt. Daarbij mag de teef bij de geboorte van haar eerste nest niet ouder zijn dan 72 maanden (6 jaar).
De minimale leeftijd van de reu, ten tijde van de dekking, dient ten minste 18 maanden te bedragen.
1.2 Een teef mag slechts één nest per kalenderjaar voortbrengen met dien verstande dat de periode tussen de laatste werpdatum en de daaropvolgende dekking ten minste negen (9) maanden moet bedrage. Een teef mag gedurende haar leven maximaal vier (4) nesten krijgen.
De geboorte dient een natuurlijk verloop te hebben. Indien de geboorte van het nest voor de tweede maal operatief, door middel van een keizersnede (sectio Caesarea ), heeft plaatsgevonden mag de teef niet verder meer voor de fokkerij worden gebruikt.
1.3 Een reu mag gedurende zijn leven maximaal vier (4) nesten voortbrengen.
De dekking dient een natuurlijk verloop te hebben.
Kunstmatige inseminatie is slechts toegestaan na verkregen toestemming op basis van een gemotiveerd verzoek. Dit verzoek dient minimaal één maand vóór de voorgenomen dekking bij het bureau van de Raad te worden ingediend.
1.4 Beide ouderdieren mogen niet met elkaar in relatie staan als ouder-kind of als (half)broer-(half) zuster
1.5 De combinatie van dezelfde reu en teef (dezelfde oudercombinatie) mag slecht éénmaal (1x) worden herhaald.
2. Gezondheid
2.1 Beide ouderdieren dienen over een goede gezondheid te beschikken, zowel lichamelijk als mentaal. Met honden die lijden aan een erfelijke afwijking mag niet worden gefokt.
2.2 De fokker zal zorgdragen voor een deugdelijke ontworming en inenting van de pups, volgens gangbare veterinaire inzichten, en voor een volledig door dierenarts ingevuld vaccinatieboekje. De pups mogen niet eerder worden afgeleverd dan op de leeftijd van ten minste zeven (7) weken. Indien van toepassing zal de fokker de pups onderwerpen aan voor het ras relevante gezondheids- en/of gedragsonderzoeken en de toekomstige koper van de uitslag van dat onderzoek mededeling doen.
3. Gezondheidsonderzoek
3.1 Beide ouders dienen vóór de dekking te zijn onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie. De uitslag van dit onderzoek dient ten tijde van de dekking bekend te zijn. De uitslag van dit onderzoek wordt alleen erkend indien de desbetreffende hond ten tijde van het onderzoek ten minste twaalf (12) maanden oud is, ingangsdatum 1 juni 2005.
Dit onderzoek dient te zijn verricht door een door de Raad daartoe aangewezen instantie of dierenarts of, voor in het buitenland geregistreerde honden, een door de FCI erkende instantie of dierenarts.
Voor de fokkerij dienen de navolgende regels:
a. tussen honden met een FCI-beoordeling A1, A2, B1of B2 mag elke willekeurige oudercombinatie worden gevormd;
b. honden met een FCI-beoordeling C1, C2, D1, D2, E1 of E2 worden uitgesloten voor de fokkerij;
c. Een reu uit het buitenland dient te voldoen aan de regels van het land van herkomst. De beoordeling moet geschieden door een door het FCI erkend instituut.
3.2 Beide ouders dienen vóór de dekking te zijn onderzocht op EBJ. Honden welke drager zijn worden uitgesloten voor de fokkerij.
4. Ziekten en afwijkingen welke worden bedoeld in 2.1 zijn minimaal
EBJ (Epidemolyse Bulleuse Joctionelle), Ectropion, , Entropion,
Epilepsie, Monorchide , Cryptorchide, OCD (Osteochondritis dissecans), Zware HD ,
4.1 Epilepsie
Met de ouderdieren, dan wel de broers of zusters dan wel de directe nakomelingen van een hond welke lijdt aan primaire epilepsie mag niet worden gefokt . *) zie noot 1
5. Gedrag
5.1 Beide ouderdieren moeten voldoen aan de karaktereisen en het gedrag zoals in de rasstandaard is aangegeven of zoals voor het desbetreffende ras is te verwachten.
5.2 Beide ouderdieren dienen hetzij een kwalificatie, CQN of een eervolle vermelding tijdens een ORWEJA veldwedstrijd met een apport dan wel de voorjaarsaanlegproef én een KNJV C-diploma dan wel de najaarsproef te hebben behaald. zie noot 2
6. Exterieur
6.1 Beide ouderdieren dienen in het algemeen , behoudens enkele onvolkomenheden die het ideale rasbeeld verstoren, aan de voor het ras geldende rasstandaard te voldoen. Zij dienen bij een leeftijd van tenminste 18 maanden op een door de Raad en/of FCI gereglementeerde expositie minimaal de kwalificatie "Zeer Goed" (ZG) te hebben behaald.
7. Overgangsbepaling
7.1 Dit reglement treedt in werking op 1 juni 2004
1e wijziging ingaande 01-06-2006 (betr. art. 3.1)
2e wijziging ingaande 31-03-2007 (betr. art. 1.2 en 1.3)
3e wijziging ingaande 01-12-2008 (betr. art. 3.2 en 4.1)
4e wijziging ingaande 08-05-2009 (betr. art. 3.2, 4 en 5.2)
5e wijziging ingaande 28-05-2010 ( betr. art. 1.1 en 4.1)
*)noot 1: betr. art. 4.1. Dus ook uit een ander nest met dezelfde combinatie.
Indien de eigenaar van mening is dat sprake is van epilepsie, dient dit middels een autopsie/onderzoek bij een daartoe gespecialiseerde dierenarts te worden vastgesteld.
*)noot 2: betr. art. 5.2. Toelichting: Het gaat om een combinatie van werk voor en na het schot. Bij de voorjaars - en jeugdveldwedstrijden is een apport géén onderdeel van de veldwedstrijd zodat naast een kwalificatie (CQN of eervolle vermelding) een proef met goed gevolg dient te worden afgelegd waarbij het werk na het schot wel beoordeeld is. Dat kan een KNJV C diploma zijn maar evenzeer een behaalde najaarsproef georganiseerd door De NVDSK.
Aanvulling: Honden geboren na 1 oktober 2008 zullen aan de nieuwe eisen moeten voldoen.
|